lijden

(doorverwezen van heeft geleden)
Vertalingen

lijden

(ˈlɛidə(n))
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
toestand dat je pijn en ellende hebt uit je lijden verlost worden door de dood

lijden

leiden, aushalten, dulden, erdulden, erleiden, ertragen, Wehsuffer, tolerate, abide, bear, endure, putupwithsouffrir, endurer, subir, tolérer, souffrance(s), souffrir (de), supporterيُعانِيtrpětlideυποφέρωsufrir, sufrimientokärsiäpatitisoffrire被る괴로워하다lideznieśćsofrerстрадать, страданиеlida avทนทุกข์ทรมานacı çekmekchịu đựng遭受痛苦 (ˈlɛidə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd leed , voltooid deelwoord heeft geleden
1. pijn en ellende hebben Veel vrouwen lijden onder het schoonheidsideaal. honger lijden
2. zinsdeel met datgene dat iets ondergaat In de zin 'ik kus jou' is 'jou' het lijdend voorwerp.
schade hebben door De landbouw heeft te lijden van/onder de droogte.