geven

(doorverwezen van heeft gegeven)
Vertalingen

geven

geben, angeben, erteilen, herreichengive, castdonner, bailler, abouler, passer, être attaché (à), faire, allonger, prêter, filer, flanquer, offrir, coller, dispenser, servirδίνωdar, donardareдать, даватьيُعْطِيdátgiveantaadati与える...에게 ...을 주다gidaćdargeให้vermekchoלתת (xevə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd gaf , voltooid deelwoord heeft gegeven
1. (iemand iets) in de hand leggen, ook als geschenk iemand een hand geven als je elkaar begroet of om iemand te feliciteren iemand die jarig is een cadeau geven
2. (iemand iets van je) laten ondervinden of laten merken iemand een kus geven iemand een klap op zijn hoofd geven je mening geven De conducteur gaf het sein om te vertrekken.
niet beschikbaar zijn of (positief) reageren als dat verwacht wordt
3. (iets voor anderen) organiseren een feestje geven Franse les geven
4. opleveren Het gedwongen ontslag van de directeur geeft een hoop onrust.
dat maakt dat je denkt dat er misschien iets mis is
5. dat is niet erg