brommen

(doorverwezen van heeft gebromd)
Thesaurus

brommen:

gonzenzoemen,
Vertalingen

brommen

murmeln, murren, summenbuzz, hum, mutter, murmurbourdonner, ronronner, murmurer, grommeler, marmonner, bougonner, faire de la tôle [prison], gronder [chien], rouler en vélomoteur, gronder, ronfler (ˈbrɔmə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bromde , voltooid deelwoord heeft gebromd
1. een laag geluid maken bromvlieg
2. mopperen De toeschouwers bromden: 'weer geen doelpunten gezien'.
3. op een bromfiets rijden Als jongens bromden we daar 's winters heen.
4. in de gevangenis zitten twee jaar moeten brommen voor iets dat je niet gedaan hebt