| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.768.644.074 Bezoekers. |
|
hebben |
0,03 sec. |
|
hebben ww hebben (had enk ovt; heeft gehad volt deelw) [ˈhɛbə(n)]
1 bezitten of beschikken over een mooi gebit hebben de Nederlandse nationaliteit hebben morgen tijd hebben om naar de film te gaan 2 lijden aan (een ziekte) longontsteking hebben het aan je hart hebben 3 dit woord drukt, samen met het voltooid deelwoord, uit dat iets gebeurd of geweest is We hebben een mooie reis gemaakt. Nu gaan we weer aan het werk. terug hebben van wisselgeld kunnen terugbetalen Het kost € 3,50. Heeft u terug van 50 euro? veel van iets of iemand hebben erg op iemand of iets lijken Hij heeft veel van zijn vader. iets hebben tegen iets vervelend vinden aan (iets of iemand) Ik vind mijn collega niet zo aardig. Ik heb iets tegen hem, maar weet niet goed wat. iets met iemand hebben een relatie met iemand hebben Volgens mij hebben die twee iets met elkaar. iets aan (iets of iemand) hebben profijt hebben van (iets of iemand) Dat is een goede publicatie. Daar heb ik wel wat aan voor mijn onderzoek. het over iets hebben (met iemand) over iets praten Over de schade moeten we het nog maar eens hebben. het niet zo/erg hebben op niet zo/erg gesteld zijn op (iets of iemand) Ik heb het niet zo op poezen. niet willen hebben niet willen dat (iets) gebeurt Ik wil niet hebben dat je er zo slordig bij loopt. kunnen hebben (iets) kunnen verdragen;= tegen (iets) kunnen Ik kan dat lawaai wel hebben. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|