haven

Thesaurus
Vertalingen

haven

Hafenharbour, port, harbor, havenportλιμένας, λιμάνιporto, coincidenzaمِينَاءpřístavhavnpuertosatamaluka좌현, 항구havn, havnebyportportoгавань, портhamnท่าเรือlimanbến cảng, cảng海港, 港口יציאה (ˈhavə(n))
zelfstandig naamwoord meervoud -s
aanlegplaats voor schepen De olietanker loopt de haven van Rotterdam binnen. jachthaven containerhaven
je doel net niet halen De autocoureur strandde 1 kilometer voor de finish in het zicht van de haven.