hart

Vertalingen

hart

Herz, Gemütheartcœur, centre, sein, fort, noyauκαρδιάcorazóncoraçãoсердцеcuoreقَلْبsrdcehjertesydänsrce心臓심장hjertesercehjärtaหัวใจkalptrái tim心脏сърце (hɑrt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. lichaamsdeel in je borstkas dat essentieel is om te leven van angst je hart in je keel voelen kloppen
met veel moeite of verdriet met bloedend hart afscheid nemen
iets nadrukkelijk tegen iemand zeggen Ze drukte me op het hart voorzichtig te zijn.
voor iedereen een goed mens zijn
iets met veel liefde doen Hij is musicus in hart en nieren.
2. wat je denkt of voelt
tegen iemand zeggen waar je veel aan denkt
uit interesse veel doen voor (iets) mensen die hart hebben voor de wijk
iemand moed geven
handelen naar (iets) een advies ter harte nemen
zeggen wat je denkt en voelt
3. binnenste (van iets) in hartje Amsterdam wonen