haring

Thesaurus

haring:

pintenthaak, tentharing,
Vertalingen

haring

Heringherringhareng, piquet (de tente)aringaسَمَكُ الرَّنـجَةُsleďsildρέγγαarenquesilliharingaニシン청어sildśledźarenqueсельдьsillปลาเฮอริ่งringa balığıcá trích, 鲱鱼херинга鯡魚הרינג (ˈharɪŋ)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. in Nederland als voedsel populaire zeevis een zoute haring met ui eten gebakken haring
haring van de nieuwe vangst de koningin het eerste vaatje nieuwe haring aanbieden
2. pen die je in de grond steekt om iets vast te zetten de tent vastzetten met haringen je boot aan de kant vastleggen met twee haringen