haperen

Thesaurus

haperen:

stotterenvastlopen, stokken, wandelstokken,
Vertalingen

haperen

malfunction, goontheblinkaccrocher, trébucher (hapərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd haperde , voltooid deelwoord heeft gehaperd
even niet goed werken De geluidsinstallatie haperde even, maar doet het nu weer.