hangen

Thesaurus

hangen:

zweven
Vertalingen

hangen

hängen, anhängen, aufhängen, erhängen, henkenhang, droop, pillorypendre, retomber, suspendre, (sus)pendre, aspirer (à), être attaché (à), être pendu, être suspendu, pencherвисетьيَتَعَلَّقُvisethængeκρεμιέμαιestar colgadoroikkuavisjetipendere掛かる걸려 있다hengewisiećestar pendurado, penduradohängaฆ่าด้วยการแขวนคอasılmaktreo悬挂 (ˈhɑŋə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hing , voltooid deelwoord heeft gehangen
1. aan de bovenkant vastmaken of vastzitten De lamp hangt laag boven de tafel. Ik heb een foto van mijn idool aan de muur gehangen.
2. niet rechtop staan of houden je hoofd laten hangen als je somber bent De planten in de tuin hangen door te weinig water. van moeheid in je stoel hangen
3. met zeer grote moeite met hangen en wurgen slagen voor je examen
4. ergens blijven terwijl je dat niet van plan was Ik ging even langs om een pakje af te geven, maar ik ben blijven hangen, zo gezellig was het. Ik ben blijven hangen aan mijn man, maar eigenlijk wilde ik met een ander trouwen.
5. onzeker zijn Het hangt erom of we met vakantie kunnen.