handel

Thesaurus

handel:

handeldrijvenkoophandel, handelsverkeer, koopwaar, negotie,
Vertalingen

handel

Handel, Unterhandlungtrade, commerce, business, trading, trafficcommerce, marchandise, distribution, affairescomércioкоммерция, торговляتـِجَارَةobchodhandelεμπόριοcomerciokaupankäyntitrgovinacommercio商売장사handelhandelhandelการค้าขายticaretthương mại贸易貿易 (ˈhɑndəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud
1. aankoop en verkoop (van goederen en diensten) de handel in fruit
2. bedrijf dat handel (1) drijft een handel in antiek hebben boekhandel
3. alle spullen Ik wil die boeken en tijdschriften niet meer hebben, dus neem het hele handeltje maar mee.
4. iemands gedrag en handelingen De handel en wandel van de voetbalbond begint me te irriteren.