hals

Thesaurus

hals:

keelgatkeel, nek,
Vertalingen

hals

Gefäß, Griff, Hals, Handhabe, Heft, Knauf, Stiel, Tropf, Genickneck, knob, handle, throatcou, col, encolure [cheval], encolure [vêtements], gorgepescoçoшея脖子collo, collottolaKrkالرقبة頸部הצווארhalsλαιμόςhalsคอcuello (hɑls)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud halzen
1. lichaamsdeel tussen je hoofd en je romp een sjaal om je hals doen
iemand omhelzen
door je gedrag onbedoeld iets (vervelends) krijgen Veel studenten weten niet hoeveel ellende ze zich op de hals kunnen halen als ze plagiaat plegen.
2. bovenste smalle deel (van iets) de hals van een fles