hal

Thesaurus

hal:

ontvangstruimtevishal, salon, ridderzaal,
Vertalingen

hal

Flur, Halle, Hausflur, Vestibül, Vorhalle, Korridorhall, corridorvestibule, (grande) salle, hall (d'entrée), halle, entrée, hallقاعَةpředsíňentréπροθάλαμοςvestíbuloeteinenpredvorjesala入口の廊下entrésalaátrio, saguãoприхожаяsamlingssalห้องโถงsalonđại sảnh大厅 (hɑl)
zelfstandig naamwoord meervoud -len
1. ruimte achter de voordeur In de hal is een spiegel om je haar te kammen.
2. zeer grote overdekte ruimte fabriekshal sporthal