haken


Zoekopdrachten gerelateerd aan haken: hakken, harken
Thesaurus

haken:

tekenhaken
Vertalingen

haken

häkeln, anhaken, anhängen, anklammern, hakenhook, hitchon, hookon, crochetaccrocher, faire du crochet, aborder, monter à l'abordage, sauter à l'abordage, accrocher (à), aspirer (à), désirer ardemment, faire (qc) au crochet, s'accrocher (à), crochetيَحْبِكُ بإبْرَةháčkováníhæklingπλέκω με βελονάκιhacer ganchillovirkatakukičatilavorare all’uncinettoかぎ針編みをする코바늘로 뜨다hekleszydełkowaćfazer croché, fazer crochêвязать крючкомvirkaการถักโครเชต์tığla örmekđan bằng kim móc钩针编织品 (ˈhakə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd haakte , voltooid deelwoord heeft gehaakt
1. (iets) maken met een grote naald en een draad een vest haken
2. (iemand) laten struikelen
3. onbedoeld aan iets vast blijven zitten Ik ben aan die spijker blijven haken.