| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.781.973.496 Bezoekers. |
|
hak |
0,02 sec. |
|
hak zn hak (-ken mv) [hɑk]
deel van een schoen dat onder je hiel zit schoenen met hoge hakken naaldhakken van de hak op de tak springen telkens over een ander onderwerp gaan praten een hak zetten (iemand) benadelen op de hak nemen een grap maken over (iemand);= beetnemen De cabaretier nam de premier op de hak. Thesaurus hak: hiel Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|