hak

Thesaurus

hak:

hiel
Vertalingen

hak

Absatzheel, hoebalafre, talon, coup de hache, entaille, picHakhakhakHakhakкаблук (hɑk)
zelfstandig naamwoord meervoud -ken
1. deel van een schoen dat onder je hiel zit schoenen met hoge hakken naaldhakken
2. telkens over een ander onderwerp gaan praten
3. (iemand) benadelen
4. een grap maken over (iemand) De cabaretier nam de premier op de hak.