haar

Vertalingen

haar

(har)
zelfstandig naamwoord meervoud haren
elk van de dunne buigzame sliertjes die uit je lichaam groeien, vooral op je hoofd je haren wassen
net niet De auto heeft me op een haar na geraakt.
het was bijna gebeurd dat...
ben je gek geworden
ruzie maken

haar

(har)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
al je haren (3,1) samen, of alleen je hoofdhaar haar op je benen hebben kort blond haar hebben je haar kammen
snel en een beetje agressief reageren

haar

sie, Haar, ihr, die, Haare, ihre, ihrer, ihrige, sein, Zotteher, hair, its, she, their, hairofthehead, hairs, his, toherelle, lui, son, poil, cheveu, cheveux, leur, sa, à lui, touffe de poils, cheveu(x), crin [cheval], l', la, la sienne, le sien, les siennes, les siens, poil(s), ses, leur(s), y, chevelure, le, jej, włosyonu, onu, ona, saçpelo, ella, la, suволос, волосы, ееcapelli, lei, a lui, al suo, di ella, gli, suoخَاصّ بِالـمُفْرَدَة الغَائِبَة, شَعْر, ضَمِيرُ الغَائِبَةِ الـمتصلjejí, ona, vlasyhår, hende, sinαυτήν, δικός της, μαλλιάhän, hänen, karvakosa, njezin, njoj彼女の, 彼女を, 髪그 여자, 그 여자의, 머리카락hår, henne, hennescabelo, dela, elahår, henne, hennesเธอ, ของหล่อน, ผมcô ấy, của chị ấy, tóc头发, , 她的 (har)
voornaamwoord
1. <je gebruikt dit woord als je over een vrouw praat> Als je Marie nog ziet, doe haar dan de groeten.
2. <je gebruikt dit woord als iets van een vrouw is of bij haar hoort> Alice is alleen thuis, want haar man is op reis.