| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.768.696.211 Bezoekers. |
|
haar |
0,52 sec. |
|
haar1 zn haar (haren mv) [har] elk van de dunne buigzame sliertjes die uit je lichaam groeien, vooral op je hoofd je haren wassen op een haar na net niet De auto heeft me op een haar na geraakt. het scheelde maar een haar of... het was bijna gebeurd dat...Ben je een haartje betoeterd! ben je gek gewordenelkaar in de haren vliegen ruzie maken haar2 zn onz haar ( mv) [har] al je haren (3,1) samen, of alleen je hoofdhaar haar op je benen hebben kort blond haar hebben je haar kammen haar op je tanden hebben snel en een beetje agressief reageren haar3 vnw haar [har]
1 je gebruikt dit woord als je over een vrouw praat Als je Marie nog ziet, doe haar dan de groeten. 2 je gebruikt dit woord als iets van een vrouw is of bij haar hoort Alice is alleen thuis, want haar man is op reis. Vertalingen haar à lui, cheveu, cheveux, elle, leur, lui, poil, sa, son, touffe de poils, cheveu(x), crin [cheval], l', la, la sienne, le sien, les siennes, les siens, poil(s), ses, y, leur(s), chevelure, le haar její, ona, vlasy haar hår, hende, hendes haar hän, hänen, karva haar kosa, njezin, nju haar 彼女の, 彼女を, 髪 haar 그 여자, 그 여자의, 머리카락 haar hår, henne, hennes haar เธอ, ของหล่อน, ผม haar cô ấy, của chị ấy, tóc Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|