haak

Thesaurus

haak:

tekenhaakophanghaak,
Vertalingen

haak

Haken, Angelhook, catch, cradle, staplecrochet, cinre [pour les vêtements], croc, hameçon, patère, agrafe, crampon, mainalcayata, ganchoكُلَّابhákkrogγάντζοςkoukkukukagancioフック갈고리krokhakganchoкрюкkrokตะขอkancamóc钩子 (hak)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud haken
1. gebogen stuk metaal om iets aan op te hangen of vast te maken een schilderij aan een haak in de muur ophangen trekhaak
(een openstaande deur of raam) vastzetten met een metalen stokje
een partner bemachtigen
dat is lastiger dan je zou denken
2. niet in orde zijn Dat hypotheekadvies is niet in de haak.