groot

Thesaurus

groot:

vitaal
Vertalingen

groot

groß, ausgedehnt, ausgewachsen, erwachsen, geräumig, weit, bedeutendbig, large, lanky, spacious, vast, wide, adult, extensive, full‐grown, great, ofhighstature, tall, bumper, majorgrand, large, adulte, ample, étendu, mûr, important, vaste, fait, en grand, grandement, gros, largement, fou/fol/folle, beau/bel/belle, bon/bonne, gros/grosse, haut, grande, majeurgrande, muy importanteبزرگwielki, duży, głównymarebüyük, üstün niteliği olanđại, chủ yếu, rộng lớn, to lớnвеликий, большой, основнойampio, grande, importanteأَسَاسِيّ, كَبِير, كَبِيرٌhlavní, velkýstorευμεγέθης, μεγάλος, μείζωνiso, suuri, tärkeinveći, velik大きい, 大きい方の중요한, 큰betydelig, storgrande, principalstor, störreใหญ่, สำคัญ主要的, 大的голямגדול (xrot)
bijvoeglijk naamwoord
1. klein met meer dan normale omvang of afmetingen een groot flatgebouw met 20 verdiepingen De filmster werd onder grote belangstelling begraven.
iemand die veel eet
wees niet zo brutaal
met heel veel De mensen gingen in groten getale de straat op om te protesteren.
2. belangrijk een groot staatsman