grazen

(doorverwezen van graasde)
Thesaurus

grazen:

weidenweilanden,
Vertalingen

grazen

grasen, weidengrazebroutergraffio (ˈxrazə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd graasde , voltooid deelwoord heeft gegraasd
1. (van dieren) gras eten grazende koeien in de wei
2. iemand geweld aandoen De jongens hebben de zwerver flink te grazen genomen. Hij bleef bewusteloos liggen.
3. een grap uithalen met iemand Ik dacht dat het nieuwtje van mijn bevordering waar was, maar ze hebben me te grazen genomen.