golf

Thesaurus

golf:

rollervloedgolf, golving,
Vertalingen

golf

(gɔlf)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
spel op een groot grasveld waarbij een balletje in gaatjes in de grond moet komen golfbaan

golf

Welle, Golf, Bucht, Haff, Meerbusen, Wogegolf, wave, gulf, tidal wavevague, onde, golfe, flot, golf, ondulationκύμα, γκολφola, golfbølge, bølgje, golfgolfo, golf, ondaلُعْبَةُ الـجُولْف, مَوْجgolf, vlnabølge, golfaalto, golfgolf, valゴルフ, 波골프, 파도fala, golfgolfe, ondaволна, гольфgolf, vågorกีฬากอล์ฟ, คลื่นdalga, golfmôn chơi gôn, sóng波浪, 高尔夫球 (xɔlf)
zelfstandig naamwoord meervoud golven
1. omhoog gaande beweging van water in de zee Als het hard waait, zijn er hoge golven.
2. wijde baai de golf van Napels
3. plotselinge toename of uitbreiding (van iets) een golf van kritiek Vorige maand was er een golf van arrestaties.
het sterk toenemende aantal oude mensen
4. reeks van na elkaar komende groene stoplichten