gillen

Thesaurus
Vertalingen

gillen

heulen, zeternyell, cryclamer, crier, pousser des cris aigus, hurlergridare, stridere (xɪlə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd gilde , voltooid deelwoord heeft gegild
1. met harde en hoge stem geluid maken Toen er een muis door de klas liep, begon iedereen te gillen.
vuurwerk dat een hard fluitend geluid maakt
2. hard nodig hebben Die zaak zit te gillen om personeel.