gieten

Vertalingen

gieten

gießen, schüttenpour, cast, irrigate, mold, mould, raincatsanddogs, scatter, shed, waterverser, abreuver, arroser, fondre, arroser [plantes], etc.], fondre [fer, répandre, mouiller, moulermojarmescere, versareлеенеCastingالصب铸造литье, лить鑄造χύτευση (ˈxitə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd goot , voltooid deelwoord heeft gegoten
1. (vloeistof) van de ene plaats naar de andere overbrengen melk uit het pak in een beker gieten
2. (vloeibaar materiaal) in een vorm gieten en hard laten worden een bronzen klok gieten
(van kleding) helemaal goed zitten Die broek zit me als gegoten.
3. heel hard regenen Het giet van de regen. Het heeft vandaag de hele dag gegoten.