gezellig

Thesaurus

gezellig:

knusleuk,
Vertalingen

gezellig

gesellig, gemütlich, innig, intim, vertraulich, vertrauthomy, intimate, close, sociableintime, sociable, accueillant, agréable, agréablement, charmant, de façon accueillante, confortable, familial, intimementintimo, socievoleأنِيسspolečenskýsocialπροσηνήςsociableseurallinendruštven社交的な사교적인selskapeligtowarzyskisociávelкомпанейскийsällskapligเป็นมิตรsosyaldễ chan hòa善于社交的 (xəˈzɛləx)
bijvoeglijk naamwoord
1. als je het samen met anderen heel prettig hebt met je vriendin gezellig een biertje drinken op een terrasje Bedankt voor het gezellige bezoek.
2. als iemand of iets een heel prettige indruk maakt een gezellig hoekje in de kamer Mijn buurvrouw is een gezellige vrouw waar je leuk mee kan praten.