| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.769.932.357 Bezoekers. |
|
gezag |
0,01 sec. |
|
gezag zn onz gezag ( mv) [xəˈzɑx]
1 persoon of instantie die officieel de macht heeft het ouderlijk gezag over de kinderen het bevoegd gezag van de overheid 2 toestand dat mensen naar je luisteren door je kwaliteiten en prestaties;= autoriteit veel gezag hebben bij je collega's De overheid heeft steeds minder gezag bij het volk. op eigen gezag zelfstandig zonder anderen iets te vragen;= eigenmachtig Ik heb dat op eigen gezag gedaan en ben dus verantwoordelijk. Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|