| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.724.588.712 Bezoekers. |
|
geven |
0,02 sec. |
|
geven ww geven (gaf enk ovt; heeft gegeven volt deelw) [xevə(n)]
1 (iemand iets) in de hand leggen, ook als geschenk;= aanbieden iemand een hand geven als je elkaar begroet of om iemand te feliciteren iemand die jarig is een cadeau geven 2 (iemand iets van je) laten ondervinden of laten merken iemand een kus geven iemand een klap op zijn hoofd geven je mening geven De conducteur gaf het sein om te vertrekken. 3 (iets voor anderen) organiseren een feestje geven Franse les geven 4 opleveren;= veroorzaken Het gedwongen ontslag van de directeur geeft een hoop onrust. niet thuis geven niet beschikbaar zijn of (positief) reageren als dat verwacht wordt Dat geeft te denken. dat maakt dat je denkt dat er misschien iets mis is Dat geeft niet/niets/niks. dat is niet erg Vertalingen geven angeben, erteilen, geben, herreichen geven abouler, bailler, donner, passer, être attaché (à), faire, coller, flanquer, filer, offrir, allonger, dispenser, prêter, servir geven δίνω geven dare geven يُعْطِي geven dát geven give geven antaa geven dati geven 与える geven ...에게 ...을 주다 geven gi geven dać geven dar geven ge geven ให้ geven vermek geven cho geven 给 Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|