geschift

Thesaurus

geschift:

mesjoggemafkees, krankjorum, zot, kwibus,
Vertalingen

geschift

crack‐brained, daft, loopy, nuts, weirdtordu (xəˈsxɪft)
bijvoeglijk naamwoord
niet goed bij je verstand Hij zit op het dak van een rijdende trein. Die vent is helemaal geschift!