gerucht

Thesaurus

gerucht:

roddel
Vertalingen

gerucht

Gerücht, Fama, Hall, Klang, Laut, Ruf, Schall, Tonrumor, rumour, fame, hearsay, repute, renown, soundson, bruit, rumeur, rennomée, réputation, rumeur publique, écho, ouï-direήχος, φήμηfama, diceriaإشَاعَةfámarygterumorhuhuglasinaうわさ소문ryktepogłoskarumorслухrykteข่าวลือsöylentitin đồn谣言 (xəˈrʏxt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
nieuwtje dat wel of niet waar kan zijn Er gaan geruchten dat de koningin zwanger is.