gepast

Thesaurus

gepast:

geschiktge,
Vertalingen

gepast

angemessen, bequem, füglich, geeignet, gelegen, gemächlich, zeitgemäß, echtappropriate, becoming, seemly, proper, convenient, handy, opportune, suitable, apt, felicitousconvenable, opportun, commode, raisonnable, correct, à propos, approprié (à), convenablementopportuno, convenévole, equoمُنَاسِبřádnýkorrektκατάλληλοςapropiadokunnonpravi適切な적합한ektewłaściwypróprioнадлежащийriktigเหมาะสมdoğru dürüstthực sự适当的 (xəˈpɑst)
bijvoeglijk naamwoord
1. ongepast zoals het hoort Met je vingers eten is in een restaurant niet gepast.
2. (van geld) als je met contant geld precies het gevraagde bedrag betaalt in de supermarkt met gepast geld betalen