generen

Vertalingen

generen

(ʒəˈnerə(n))
werkwoord wederkerend
enkelvoud onvoltooid verleden tijd geneerde zich , voltooid deelwoord heeft zich gegeneerd
zich verlegen of ongemakkelijk voelen Ik geneerde me dood toen hij zo beledigend tegen onze gasten werd.
doe wat je wilt, ga rustig je gang