gemeen

Thesaurus
Vertalingen

gemeen

gemein, infam, geizig, scheußlichabandoned, nasty, vile, mean, abject, base, low, rotten, vulgar, stingyméchant, abject, dégoûtant, lâche, malsain, repoussant, méchamment, immoral, affreux/-euse, commun, en commun, public/publique, rudement, bas/basse, bassement, chien/chienne, ignoble, mauvais, sale, sordide, vache, vilain, dégoutantcomún, desagradable, malo, mezquinopérfido, desagradável, mesquinhoinfame, meschino, sgradevoleحَقِيرٌ, كَرِيهٌnepříjemný, zlýnederdrægtig, ondαντιπαθητικός, μοχθηρόςilkeä, pahagadan, zločestけちな, 嫌な고약한, 인색한gjerrig, utriveligskąpy, złośliwyпротивный, убогийelakใจร้าย, น่ารังเกียจberbat, eli sıkıbần tiện, làm bực mình令人不悦的, 吝啬的 (xəˈmen)
bijvoeglijk naamwoord
1. met de bedoeling iemand te benadelen iemand een gemene streek leveren
2. hevig gemeen pijn doen gemeen koud zijn
3. (iets met iemand) gemeenschappelijk hebben Mijn broer en zus zijn erg verschillend, maar ze hebben gemeen dat ze driftig zijn.