gemak

Thesaurus

gemak:

gemakkelijkheidkalmaan,
Vertalingen

gemak

Behaglichkeit, Komfort, Vorteilcomfort, throneconfort, aise, commodité(s), commodité, cabinet (xəˈmɑk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
1. iets dat makkelijk en aangenaam voor je is Die luxe hotelkamer is van alle gemakken voorzien. Nu ik het zo druk heb, is het een gemak dat de winkels dichtbij zijn.
2. haastig rustig Omdat ik nog tijd genoeg heb, loop ik op mijn gemak naar het station.
3. zorgen dat (iemand) zich rustig en prettig voelt Het jongetje schrok erg, maar zijn moeder stelde hem snel weer op zijn gemak.
4. zonder veel moeite met gemak slagen voor je examen
5. <als iemand opgewonden is> doe eens wat rustiger