geluk

Vertalingen

geluk

Glückluck, happiness, prosperity, success, fortunebonheur, chance, prospérité, veine, félicités, fortune, joiesuccesso, felicità, fortunaحَظٌ, سَعَادَةštěstíglæde, heldευτυχία, τύχηfelicidad, suerteonnisreća幸福, 運운명, 행복hell, lykkeszczęściefelicidade, sorteвезение, счастьеlycka, turโชค, ความสุขmutluluk, şansniềm hạnh phúc, vận may快乐, 运气 (xəˈlʏk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
1. gunstige gebeurtenis Het was een geluk bij een ongeluk dat vrienden ons zagen toen we met pech langs de weg stonden.
zonder plan, met een gokje
het is goed met je afgelopen doordat... Je mag van geluk spreken dat je een helm op had toen je met je brommer viel.
2. gevoel van grote blijheid en harmonie Het verliefde stelletje straalde van geluk.