gelegenheid

Thesaurus
Vertalingen

gelegenheid

Gelegenheit, Begebenheit, Ereignis, Fall, Geschehnis, Vorfallchance, opportunity, event, occurence, occasionoccasion, circonstance, café, restaurant, chanceفُرْصَّةٌpříležitostmulighedευκαιρίαoportunidadtilaisuusprilikaopportunità機会기회mulighetmożliwośćoportunidadeвозможностьmöjlighetโอกาสfırsatcơ hội机会възможност機會הזדמנות (xəˈlexənhɛit)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -heden
1. (gunstig) moment van de gelegenheid gebruik maken de gelegenheid aangrijpen/benutten/te baat nemen
zodra er een goed moment voor is
als je je spullen niet goed bewaakt, kan iemand ze makkelijk stelen
2. bijzondere omstandigheid voor de gelegenheid een mooie jurk aandoen
3. openbare plek waar je iets kunt doen of kunt nuttigen Bij een gelegenheid in het bos hebben we wat gedronken.
4. met een eigen vervoermiddel reizen