gehoor

Thesaurus

gehoor:

publiek
Vertalingen

gehoor

Gehörhearing, audience, auditoryouïe, audience, auditoire, oreille, auditionακοήspettatore, udienza, uditorio, uditoسَمْعsluchhørelseoído, audienciakuulosluh聴力듣기hørselsłuchaudiçãoслухhörselการได้ยินişitmethính giác听力изслушванеשמיעה (xəˈhor)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
1. vermogen om te horen een scherp gehoor hebben
door alleen te luisteren
een lied zingen
prettig klinken
het is vreselijk om naar te luisteren
(van een melodie) prettig klinken en daardoor ook makkelijk te onthouden
doen wat gevraagd wordt
muzieknoten op de goede hoogte kunnen zingen zonder hulp van een instrument
2. mensen die luisteren
niemand vinden die het voorstel wil steunen
3. iemand opbellen zonder dat hij of zij de telefoon opneemt