geest

Thesaurus

geest:

wezenziel, mentaliteit, psyche, geestverschijning,
Vertalingen

geest

Geist, Gemüt, Genius, Gespenst, Intellekt, Phantom, Seele, Spuk, Verstandspirit, ghost, mind, intellect, phantom, soul, fairyesprit, âme, apparition, lutinψυχή, νους, πνεύμαmente, spiritoرُوح, عَقْلٌduševno, myslånd, sindespíritu, mentehenki, mieliduh, um心, 精神마음, 정신ånd, sinnduch, umysłespírito, menteдуша, разумande, hjärnaจิตใจ, วิญญาณruh, zihintâm trí, tinh thần头脑, 精神 (xest)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. het menselijke vermogen om te denken, voelen en willen
de mensen die eenvoudig denken
ik kan het mij nog goed herinneren
het verschil van mening
op een moeilijk moment helder kunnen nadenken
2. deel van de mens dat volgens gelovigen maakt dat hij leeft de Heilige Geest
overlijden
inspiratie krijgen
3. wezen zonder lichaam bang zijn voor boze geesten
de zaak is niet meer te beheersen
4. manier van denken en doen
doen zoals mijn vader zou hebben gedaan
niet letterlijk maar volgens de achterliggende bedoeling
de manier van denken en handelen in een bepaalde tijd