gebruik

Thesaurus

gebruik:

gewoonte
Vertalingen

gebruik

Angewohnheit, Benutzung, Brauch, Gebrauch, Gepflogenheit, Gewohnheit, Sitte, Usus, Verwendungcustom, use, mores, way, habit, manipulationhabitude, coutume, recours, emploi, utilisation, usage, consommation, dépense, pratiquecostumbre, usouso, usanzaاِسْتِخْدَامužíváníbrugχρήσηkäyttöuporaba使用사용brukużytekusoиспользование, обычайanvändningการใช้kullanımviệc sử dụng使用 (xəˈbrœyk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. meervoud g.mv. keer dat je iets gebruikt voor éénmalig gebruik voor eigen gebruik iets in gebruik nemen gebruik maken van de mogelijkheden niet meer in gebruik
waarschuwing op medicijnverpakkingen dat je het middel niet moet innemen
niet in werking
2. manier waarop je iets volgens een traditie doet volksgebruik Vuurwerk afsteken met nieuwjaar is een populair gebruik.