gebroken

Thesaurus

gebroken:

geradbraaktverbroken, stukgebroken,
Vertalingen

gebroken

brokenbrisé, cassé, défectueux/-euse, fracturé, interrompu, mauvais, rompuمَكْسورrozbitýknækket, brudtzerbrochenσπασμένοςroto, discontinuorikkinäinenslomljeninterrotto壊れた부서진, 깨진ødelagtpołamanyquebradoпрерывистыйtrasigเส้นประkırıkbị vỡ不连贯的שבור (xəˈbrokə(n))
bijvoeglijk naamwoord
1. kapot, in stukken Het glas is gebroken.
2. heel erg moe Na twee keer een 24-uursdienst draaien, ben ik gebroken.
3. met een geëmotioneerde stem
niet helemaal helder wit