gebrek

Thesaurus

gebrek:

tekorthandicap, lichaamsgebrek, krapte, schaarste,
Vertalingen

gebrek

Gebrechen, Mangel, Armut, Fehlen, Fehler, Manko, Verderbnis, Lasterlack, vice, poverty, shortage, shortcoming, absence, damage, defect, flawmanque, infirmité, vice, défaut, dégât, insuffisance, préjudice, privation, besoin, incommodité, indigence, absence, tringle, faute, imperfection, failledefeito, falha, falta, vícioотсутствие, изъян, нехватка, порокvizio, mancanza, peccaرَذِيلَة, عَيْب, نَقْصٌchyba, nedostatek, neřestfejl, last, mangelβίτσιο, έλλειψη, ψεγάδιcarencia, defecto, error, viciopahe, puute, vikanedostatak, porokきず, 悪徳, 欠乏결점, 부도덕한 행위, 부족last, lyte, mangelbrak, skaza, wadabrist, felaktighet, syndการขาด, ข้อบกพร่องeksiklik, kötü alışkanlık, kusurđiểm xấu, khiếm khuyết, sự thiếu恶习, 缺乏, 缺点 (xəˈbrɛk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. iets dat er niet is of waarvan er te weinig is gebrek aan schoon drinkwater
als tweede keus
2. iets wat niet helemaal goed of kapot is

fout die tijdens de verkoop niet bekend was