gast

Thesaurus

gast:

stamgastlog,
Vertalingen

gast

Gastguest, guyhôte, convive, client/cliente, garçon, invité/-ée, type, visiteurs, dîneur, homme, mâle, invitéгостьospiteضَيْفhostgæstκαλεσμένοςhuéspedvierasgost손님gjestgośćconvidadogästแขกที่มาเยี่ยมkonukkhách客人 (xɑst)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en
1. iemand die je hebt uitgenodigd om te eten of te slapen te gast zijn bij iemand een graag geziene gast
2. klant in een horecagelegenheid of een vakantieoord In juli en augustus hebben we veel zomergasten.
3. man twee van die gasten met tatoeages