gapen

(doorverwezen van gaapte)
Thesaurus

gapen:

geeuwen
Vertalingen

gapen

gähnen, anglotzenyawn, gape, gawkbâiller, badauder, bayer aux corneilles, béer, baillerbostezarsbadigliareيَتَثَاءَبُzívatgabeχασμουριέμαιhaukotellazijevatiあくびをする하품하다gjespeziewnąćbocejarзеватьgäspaหาวesnemekngáp打哈欠 (ˈxapə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd gaapte , voltooid deelwoord heeft gegaapt
1. uit vermoeidheid of verveling je mond willekeurig wijd opendoen en daarbij diep ademhalen Hij zat de hele avond alleen maar te gapen.
2. wijd openstaan een gapende afgrond een gapende wond