| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.768.821.728 Bezoekers. |
|
gaan |
0,04 sec. |
|
gaan ww gaan (ging enk ovt; is gegaan volt deelw) [xan]
1 bewegen en daardoor van plaats veranderen naar huis gaan met de fiets gaan teruggaan 2 beginnen met een handeling gaan slapen aan het werk gaan uit varen gaan in de politiek gaan met pensioen gaan 3 kunnen, mogelijk zijn of passen Er gaan twaalf dozen in een kist. Dat gaat niet. 4 zich ontwikkelen, verlopen Het gaat goed met de zieke. Hoe gaat het? 5 klinken De telefoon gaat. De bel gaat. ervandoor gaan weggaan, vluchten er flink tegenaan gaan hard werken ervoor gaan je ergens helemaal voor inzetten eraan gaan kapotgaan of omkomen Vertalingen gaan aller, aller en véhicule, résonner, se déplacer, sonner, entrer (dans), fonctionner, marcher, passer, s'agir (de), s'en aller, sortir, traiter (de) gaan πηγαίνω gaan يَذهَب gaan jít gaan gå gaan mennä gaan ići gaan 行く gaan 가다 gaan dra gaan pójść gaan ir gaan двигаться gaan åka gaan ไป เคลื่อนไป ออกไป gaan gitmek gaan đi gaan 走 Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|