gaan

Vertalingen

gaan

gehen, fahren, gellen, klingen, läuten, tönen, tretengo, shall, sound, travel, goonfoot, ride, will, bed, bend, do, elope, stepaller, sonner, s'en aller, aller en véhicule, résonner, se déplacer, entrer (dans), fonctionner, marcher, passer, s'agir (de), sortir, traiter (de)πηγαίνωir, andarstare, rumore, sano, secondo, solido, suono, andareيَذْهَبُjíttagemennäići行く가다drapójśćirидтиåkaไป เคลื่อนไป ออกไปgitmekđi (xan)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd ging , voltooid deelwoord is gegaan
1. bewegen en daardoor van plaats veranderen naar huis gaan met de fiets gaan teruggaan
weggaan, vluchten
2. beginnen met een handeling gaan slapen aan het werk gaan uit varen gaan in de politiek gaan met pensioen gaan
3. kunnen, mogelijk zijn of passen Er gaan twaalf dozen in een kist. Dat gaat niet.
4. zich ontwikkelen, verlopen Het gaat goed met de zieke. Hoe gaat het?
5. klinken De telefoon gaat. De bel gaat.
6. hard werken
je ergens helemaal voor inzetten
kapotgaan of omkomen