front

Thesaurus

front:

puivuurlijn, vooraanzicht, gevelbreedte,
Vertalingen

front

Front, Vorderseitebattlefront, front, frontagefront, avantfrontFrontfrentefrentepředníחזיתด้านหน้า (frɔnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. voorkant Het front van de kerk bevindt zich aan het plein.
2. gebied waar in een oorlog gevochten wordt soldaten naar het front sturen
op allerlei gebieden actief zijn
in alles winnen
met zijn allen zich verzetten tegen iets
3. meteorologie overgangsgebied tussen koude en warme lucht in de atmosfeer een koufront