fris

Vertalingen

fris

(frɪs)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
frisdrank Wat zal ik voor je inschenken, alcohol of fris?

fris

frisch, neu, unberührtfresh, recent, cold, coolfrais, frais/fraîche, neuf/neuve, gai/gaiefresco, 新鲜的moderno, novizio, frescoالهَوَاءُ الطَّلْقsvěžífriskκαθαρός, φρέσκοraikashladanすがすがしい상쾌한, 신선한friskświeży, świeżefrescoчистыйfrisk, färskaสดชื่น, สดtemiztrong lành新鮮טרי (fɪis)
bijvoeglijk naamwoord
1. koel Het is hier een beetje fris, wil je het raam sluiten? een fris briesje
2. niet vermoeid Na dat middagdutje ben ik weer helemaal fit en fris.
met nieuwe energie
3. helder en schoon fris gewassen overhemden