fout

Thesaurus
Vertalingen

fout

(fɑut)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
iets dat niet juist is een fout maken/begaan een fout corrigeren
grote fouten
grote fouten
het verkeerd doen
er is ongemerkt een fout in de berekening gemaakt.

fout

Fehler, Irrtum, falsch, irrig, verkehrt, Versehen, nicht richtigmistake, error, wrong, erroneous, incorrect, mistaken, aberration, err, failure, false, fucked-uperreur, abusif, défaut, faute, mal, (être) d'intelligence avec l'ennemi, d'une manière fausse, erroné, fautif/-ive, faux/fausse, incorrect, tort, vice, incorrectionλάθος, λανθασμένος, σφάλμαошибка, неправильноdifettoso, erroneo, errore, sbagliatoخاطِئ, غَلَطٌ, غَلْطَةchyba, špatnýfejl, forkerterror, malväärä, virhegreška, pogreška, pogrešno誤った, 間違い실수, 오류, 잘못된feil, feiltagelse, galbłąd, złyerrado, errofel, misstagไม่ถูกต้อง, ข้อผิดพลาด, ความผิดพลาดahlakça suç sayılan, hata, yanlışlỗi, sai错误, 错的грешка錯誤 (fɑut)
bijvoeglijk naamwoord
goed niet zoals het moet Het gaat/loopt fout.
het helemaal verkeerd doen
tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de bezetters hebben gekozen