formaat

Thesaurus

formaat:

grootteomvang,
Vertalingen

formaat

Formatenvergure, format, calibre, carrure, statureformat (fɔrˈmat)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -maten
geheel aan afmetingen van iets een klein formaat een handzaam formaat
iemand die goed toespraken kan houden