fladderen

Thesaurus

fladderen:

vlinderenrennen, vliegen, wapperen,
Vertalingen

fladderen

flirten, herumflattern, liebeln, tändelnflirt, flit, flutterflirter, voltiger, conter fleurettesvolazzare (ˈflɑdərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd fladderde , voltooid deelwoord heeft gefladderd
vliegen met vleugels die heel snel op en neer gaan De jonge merel fladderde uit het nest.
het leven niet al te serieus nemen