fietsen

Thesaurus

fietsen:

wielrijden
Vertalingen

fietsen

cycle, cyclingaller à bicyclette, du vélo, faire de la bicyclette, vélo, tricoter, pédaler, cyclisme, faire du véloandare in bicicletta, circolazione, ciclismoرُكُوبُ الدَرَّاجَة, يَرْكَبُ الدَرَّاجَةcyklistika, jet na kolecykle, cyklingradfahrenκάνω ποδήλατο, ποδηλασίαciclismo, ir en bicicletapyöräillä, pyöräilybicikliranje, bicikliratiサイクリング, 自転車に乗る사이클링, 순환하다sykle, syklingkolarstwo, pojechać na rowerzeandar de bicicleta, ciclismoезда на велосипеде, ехать на велосипедеcykla, cyklingการขี่จักรยาน, ขี่จักรยานbisiklete binme, bisiklete binmekđạp xe, sự đi xe đạp自行车运动, 骑自行车 (fitsə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd fietste , voltooid deelwoord heeft gefietst
rijden op een fiets Van huis naar school is een kwartiertje fietsen.
ga toch weg!