feest

Vertalingen

feest

Feier, Fest, Schlagcelebration, party, festival, do, bashfête, partie, fiestafiesta, juergafesta, farraحَفْلَةoslavafestπάρτιbileetzabavafesta強打강타voldsomt slagbalangaвечеринкаvrakfestงานฉลองcümbüşbữa tiệc聚会 (fest)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. bijeenkomst om een vrolijke gebeurtenis te vieren een feestje voor je verjaardag geven
een feestje organiseren
alles is niet altijd even makkelijk of leuk
dat gaat absoluut niet gebeuren
2. (jaarlijkse) herdenking van een vrolijke of bijzondere gebeurtenis Sinterklaasfeest Pasen is een belangrijk christelijk feest.