fatsoenlijk

Vertalingen

fatsoenlijk

anständig, bieder, ehrlich, gehörig, honett, rechtschaffen, zurechtdecent, fitting, proper, suitable, above‐board, decently, honest, properlyconvenable, convenablement, décent, honnête, proprement, correct, propre, bien, sagefecente, gentile, decenteمُحْتَرَمucházejícíanstændigαξιοπρεπήςdecentekunnollinenpristojanきちんとした신분에 맞는anstendigprzyzwoitydecenteпристойныйhyggligเหมาะสมuygunnghiêm chỉnh像样的, 体面體面 (fɑtˈsunlək)
bijvoeglijk naamwoord
1. zoals het hoort een door en door fatsoenlijk meisje
2. redelijk Je moet wel een fatsoenlijke betaling eisen.