enkelvoud

Vertalingen

enkelvoud

Einzahl, Singularsingulierενικόςsingularsingularالمفرد単数形singularsingolareเอกพจน์singular단수ental (ˈɛŋkəlvɑut)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
meervoud <vorm van een woord die aangeeft dat het om één persoon of zaak gaat> De eerste persoon enkelvoud van het werkwoord 'zijn' is 'ik ben'. Het enkelvoud van 'kinderen' is 'kind'.