enkel

Thesaurus

enkel:

onderbeenenkelvoudig, slechts, uitsluitend, voetgewricht,
Vertalingen

enkel

(ˈɛŋkəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
gewricht tussen het been en de voet een verstuikte enkel hebben

enkel

(ˈɛŋkəl)
bijvoeglijk naamwoord
dubbel uit één ding, niet dubbel een enkele of een dubbele boterham
retourtje alleen een kaartje voor de heenreis, niet de terugreis erbij

enkel

Knöchel, allein, bloß, einfach, erst, lediglich, nur, einzigerankle, single, just, mere, only, sole, solitary, exclusivelycheville, seulement, pur, simple, seul, ne ... que, quelques rares, seule, simplement, un ou deux, unique, exclusivementαστράγαλος, μοναδικόςtobillo, individualtornozelo, únicocaviglia, sogliola, solo, suola, singleرُسْغ القَدَم, وَحِيدjediný, kotníkankel, enkelainoa, nilkkagležanj, jedan jediniくるぶし, たった一つの단 하나의, 발목ankel, enkelkostka, pojedynczyголеностопный сустав, одиночныйankel, ensamståendeโสด, ข้อเท้าayak bileği, tekđơn độc, mắt cá chân单一的, יחיד (ˈɛŋkəl)
bijwoord
niets anders dan In de woestijn zagen we enkel zand, zand en nog eens zand. Ik wilde enkel en alleen zeggen dat je dat niet meer moet doen.